Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Glasnost | October 21, 2017

Scroll to top

Top

Matthijs Veenstra – Hier is het schrift dus niet voor uitgevonden (3)

Matthijs Veenstra – Hier is het schrift dus niet voor uitgevonden (3)
Jelte Posthumus

Afgelopen maandag schoof columnist Matthijs Veenstra weer bij ons aan. Hij las een opzienbarende column voor waarin de dictator van het Derde Rijk in een wel heel markante seksscène optreedt. Luister en huiver.

Hier is het schrift dus niet voor uitgevonden, aflevering 3: Seksscènes met Massamoordenaars

Column voor Glasnost op 19 januari 2015. Door Matthijs Veenstra.

Deze keer wil ik een bijzonder dwaalspoor in de geschiedenis van het schrift volgen. Dit dwaalspoor is een passage uit de roman “wie machtig is sterft alleen” van de auteur Fred Mustard Steward. Deze passage kwam mij toevallig onder ogen, en heeft nogal een indruk achter gelaten. Steward beschrijft hierin namelijk een scène uit het seksleven van niemand minder dan Adolf Hitler. En het is niet zomaar een seksscène. Steward plaats de jonge Hitler in een wervelwind van masochisme, sadisme, fetisjisme en homoseksuele verlustigingen. Hitler beleeft deze stiekeme erotische avonturen met een zekere ‘Rudi’. Steward wil de lezers kennelijk duidelijk maken dat het bij de toekomstige massamoordenaar om meer draait dan oppervlakkig, lichamelijk genot . Zo schrijft hij:

“Hitler begon te beven toen hij zijn vingers liefdevol langs de zweep liet glijden. ‘Het is al tien dagen geleden’ zei hij. ‘Het leek een eeuwigheid. Ik kan niet zonder je leven, Ruderl, mijn lieveling…”

Tsja. Hitler en een zweep. Alsof die combinatie niet smeuïg genoeg is, vermeld Steward ook nog eens dat de zweep ‘duur’ en ‘Hongaars’ is. Dat u het even weet. Bij het strelen van een dure Hongaarse zweep blijft het helaas niet. Van het één komt al snel het ander. In een koud-bier-uit-blik-hete-knakworst-uit-het-vuistje-stijl sjeest Stewards proza naar een onvermijdelijke climax. Die gaat zo:

“haastig en kreunend van genoegen trok Hitler zijn goedkope pak uit en wierp het op de met sits beklede stoelen. Toen hij naakt was, ging hij als een hond op handen en knieën zitten. Zijn magere lichaam had enigszins brede, vrouwelijk aandoende heupen, en zijn penis, die bijzonder klein was, stond stijf.

Rudi legde de rijzweep op tafel en nam de hondenhalsband.

‘wat ben je, joodse slaaf?’ vroeg hij.

‘Ik ben de hond van een joodse slaaf’

‘Zo is dat.’

Rudi boog zich voorover en deed de halsband om Hitlers hals. Eerst trok hij die zo stijf aan dat Hitler kokhalsde en daarna deed hij hem losser.

‘Blaf, hond van een Joodse slaaf!’ beval hij.

Hitler blafte.”

Deze slecht geschreven verbintenis tussen holocaust en hondenhalsband, tussen genitaliën en genocide is zo krankzinnig, zo onmogelijk en absurd dat het leidt tot een hardnekkig besef: iemand met de naam Fred Mustard Steward heeft dit met zijn volle verstand geschreven. Dit is echt gebeurd. Het is de curiosa onder het schrift; het is waarschijnlijk het topje van de ijsberg. Direct gaan de sluizen der verbeelding open: misschien is er een heel leger aan mannen met een saus als tweede naam die aan de lopende band seksscènes met massamoordenaars schrijven. Deze mannen krijgen langzaamaan gestalte.

Zo zie ik voor me hoe een auteur met de naam Frank Mayonaise Butler, die voorheen met moeite de kost verdiende door het schrijven van nauwelijks gelezen, gortdroge, bijna frigide streekromans, na het lezen van Stewards werk opeens het licht heeft gezien. Tot grote ontsteltenis van vrouw en kinderen werkt hij nu als een bezetene aan een roman waarin hij Stalin beschrijft als een onzekere man die totaal verslingerd is aan telefoonseks. Het hoogtepunt van de roman gaat als volgt:

“Vadertje Stalin waande zich weer een klein stout schoenmakersknechtje toen hij langzaam de port van zijn snor likkend in de telefoon hijgde: ‘en wat heb je onder dat grofwollen sovjetuniformpje aan, kameraad?’”

Of ik stel me voor hoe ergens op de zolder van een Staphorster boerderij een romancier genaamd Herbert Piccalilly Piccolo in totaal verwarde toestand achter een donkerhouten bureau zit. Zijn werkblad ligt bezaaid met lege zakjes oploscappuccino, euroshopper japanse rijstzoutjesmix en een typemachine waar een papier uit steekt met daarop als titel “het rode broekje” en daaronder slechts de openingszin: “Maar voorzitter Mao, is dat een grote sprong voorwaarts in uw broek of bent u blij om me te zien?”

Tot slot stel ik me voor hoe deze mannen een genootschap vormen, genaamd ‘de vrienden van Unox Smac’, dit op aandringen van Fred Mustard Steward, die openlijk liefhebber is van de compacte rozige vleessubstantie uit blik. Dit genootschap heeft als doel erkenning van historische erotische fictie, met als motto “De historisch-erotische roman verhoudt zich tot geschiedschrijving als de herinnering aan een feest tot een foto van dat feest: zonder de eerste blijft de laatste saai, onduidelijk en onderbelicht.”

Het zou zomaar kunnen dat dit genootschap bestaat. Dankzij Fred Mustard Steward weten we: nu mag alles. Wellicht heeft zijn seksscène met Hitler ons daarom toch iets te vertellen. Nu velen in het oerwoud der meningen koketteren met de roos van het vrije woord, toont Fred Mustard Steward ons dat het geen bloempje is om zonder versleten tuinhandschoenen aan te pakken.