Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Glasnost | September 19, 2018

Scroll to top

Top

De Stand van de Universiteit – op de werkvloer

De Stand van de Universiteit – op de werkvloer
Jelte Posthumus

Op donderdagavond 15 februari presenteerde Glasnost de eerste editie van Café Glasnost in Brouwerij Martinus. De door Jelte Posthumus en Anne Jan Toonstra geleide tafelgesprekken leverden een duidelijk beeld van de huidige problematiek binnen de academische wereld en de Rijksuniversiteit Groningen in het bijzonder. Te gast waren hoogleraar geschiedenis Klaas van Berkel, student American studies Meike Robaard, promovendus Gerard Jan Ritsema van Eck, universitair docent Pieter Boele van Hensbroek en vertegenwoordigers van twee studentenfracties in de u-raad, Zeger Glas (SOG) en Willem Noordink (DAG). 

Pieter Boele van Hensbroek: ‘Het is democratie van niks.’

Lees onderstaand artikel of luister hier het gesprek met Meike Robaard, Gerard Jan Ritsema van Eck en Pieter Boele van Hensbroek terug:

 

Om te praten over hun ervaringen als student, promovendus en docent schoven respectievelijk Meike Robaard (student American studies), Gerard Jan Ritsema van Eck (promovendus in de rechtsgeleerdheid) en Pieter Boele van Hensbroek (universitair docent en onderzoekscoördinator bij Wijsbegeerte) aan bij Jelte en Anne Jan.

Meike Robaard zegt in het gesprek sympathie te hebben voor haar docenten: ‘We hebben het zelf niet alleen druk, maar ik merk dat er ook frustratie zit bij de docent. Ze moeten veel nakijken in korte tijd en ze moeten ondertussen hun eigen onderzoek doen.’ Naar haar zin heeft ze te weinig werkcolleges, die zijn volgens haar voor de verdieping heel waardevol, maar dat is ‘administratief niet mogelijk’.

Gerard Jan Ritsema van Eck is een tevreden werknemer, maar ‘het zou een stuk beter kunnen’, aldus de promovendus. Ik werk nu vijf jaar aan de universiteit – ik ben in mijn vak van 80 naar 220 studenten gegaan. Ik kan ze als docent niet evenveel aandacht geven. Ik moet ze eenvoudige opdrachten geven. Dat gaat gewoon keihard ten koste van de kwaliteit.’ Wat betreft zijn promotie herkent Ritsema van Eck de resultaten van een onderzoek dat zegt dat één op de drie promovendi kampt met serieuze psychische klachten: ‘Het is heel gemakkelijk om gewoon te verdwijnen. Dat wordt dan thuiswerken genoemd, maar misschien liggen mensen wel depressief in bed.’ De oorzaak is vooral de publicatiedruk. Hij spreek van een ‘rat race’. Promoveren blijkt keiharde competitie.

 

Meike Robaard, Pieter Boele van Hensbroek en Gerard Jan Ritsema van Eck aan tafel

 

Pieter Boele van Hensbroek hekelt als universitair docent de bureaucratie. Hij is veel tijd kwijt aan in zijn ogen ‘zinloze dingen’, maar hard werken hoort bij het vak: ‘Als wetenschapper probeer je altijd meer te lezen, meer ideeën te realiseren. Daar kom je niet van af.’

 

Gerard Jan Ritsema van Eck

 

Boele schreef een stuk voor de universiteitskrant over het besluit van Yantai. Hij vindt dat het besluit niet goed tot stand is gekomen: er zijn te weinig mensen gehoord. ‘Als er zo’n belangrijk besluit is moeten er bijeenkomsten georganiseerd worden voor de staf door de u-raad om te horen wat voor ideeën er zijn. Het is democratie van niks. Het zijn gekozen mensen met een klein beetje programma en vervolgens gaan ze in een soort praatclubje bepalen wat hun standpunt is.’ Later zegt hij: ‘We moeten weer professionals zijn. De besluitnemers zijn volgers van de staf en niet andersom.’

 

Pieter Boele van Hensbroek

 

Meike ziet een oplossing in de dialoog: ‘Die dialoog moeten we doortrekken, onderling bij de studenten. Wat voor ruimte willen we dat de universiteit is? Het moet volgens mij een creatieve ruimte zijn waarin alternatieve visies terecht kunnen, waar ruimte is voor een creatieve manier van leren. We moeten het letterlijke voordeel van de twijfel en de vraag zien.’

Gerard Jan Ritsema van Eck is duidelijk. ‘Er moet gewoon meer geld bij’, zegt hij. ‘Je kan blijven praten wat je wilt, als het geld er niet is, als je de extra mensen niet kan betalen, dan los je het niet op.’