Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Glasnost | May 20, 2019

Scroll to top

Top

Willem Goedhart – Liefde als een prakje (4)

Willem Goedhart – Liefde als een prakje (4)
Jelte Posthumus

In zijn reeks columns gaat Willem Goedhart op zoek naar de cijfers achter de kunst. In zijn vierde column analyseert hij Ilja Leonard Pfeijffer’s sonnettenkrans Giro Giro Tondo. 

Liefde als een prakje

Nadat alle regels in de poëzie van tafel geveegd zijn, brengt Ilja Leonard Pfeijffer de sonnettenkrans Giro Giro Tondo uit. Volgens de achterflap “een ware stijluitdaging” en “een pijnlijke liefdesrondedans”. Deze reeks gedichten gehoorzaamt in vormtechnisch opzicht aan strenge regels, en is daarmee een uitermate geschikt analyseobject voor de Getalkunst. Niet dat ik wil controleren of Pfeijffer het kunstje beheerst (elke slotregel is de beginregel van het volgende sonnet, die uiteindelijk samen het laatste sonnet vormen), of de rijmschema’s goed heeft toegepast, want dat is (uiteraard) het geval. Het gaat mij om de mate van herhaling en de variatie hierin.

De bundel bevat vijftien sonnetten van elk veertien regels (dat zijn er 210 in totaal), die samen uit 1560 woorden bestaan; gemiddeld 104 per gedicht. Door de terugkerende regels verwacht je een eindeloze herhaling van dezelfde woorden, maar niets is minder waar. Alleen “je” (98x) en “ik” (75x) komen in de meeste regels voor, daarna vormt zich een langzaam aflopende reeks van terugkerende lemma’s. Sommige lidwoorden en voorzetsels komen uiteraard nog tientallen malen voor, maar het meest frequente zelfstandige naamwoord in de bundel is “naam”, dat maar zes keer opduikt. Voor de rekenaars onder ons: een schamel percentage van 0,38%. Daar komt nog bij dat de helft van dat getal ‘verklaard’ wordt door de verplichte structuur van die terugkerende regel:

Ik wist je naam niet, wilde die niet weten

Er is meer. Recensenten schrijven dat de sonnettenkrans van Pfeijffer over het ideaal van de liefde handelt. De weinige zelfstandige naamwoorden die viermaal voorkomen bevestigen dit oordeel: “beeld”, “fantasie”, “gedachten”. Wanneer dit woordweb uitgebreid wordt tot drie treffers, tuimelen de hieraan gerelateerde begrippen helemaal over elkaar heen: “dromen”, “gezocht”, “illusie”, “scheppen”, “beminnen”, “gemis” “verzinnen”. Deze word frequency analyse bewijst dus dat de ideaalvoorstelling van de liefde inderdaad een terugkerend thema is.

Los van het woordgebruik kunnen we ook de rijmvormen in deze poëziebundel van Pfeijffer tellen. Een sonnet brengt zes opties voor eindrijm met zich mee (a-b-b-a, c-d-d-c, e-f-e, f-e-f), waarbij in deze krans het laatste eindrijm vanzelf terugkeert aan het begin van het volgende gedicht. In totaal is er dus 90 keer eindrijm in deze sonnettenkrans. Twintig daarvan komen terug door de verplichte herhaling. De 70 die overblijven, verdeelt Pfeijffer over dertien rijmklanken, waarbij de voornaamste (de “aa” als in “staan”) slechts elf keer voorkomt. Een onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk eindrijm levert overigens nog meer vormen op. Ondanks de strakke structuur weet Pfeijffer dus een grote variatie in het verplichte eindrijm aan te brengen.

Tot slot nog een bevinding uit deze analyse waar recensenten tot dusver aan voorbij lijken te gaan. In de gedichten tel ik opvallend veel woorden die gerelateerd zijn aan eten: “hammen”, “bubbelgum”, “Peachez”, “vissen”, “vlees”; om maar eens wat willekeurige voorbeelden te noemen. In deze verzen worden er zeker vierentwintig etenswaren genoemd: 1,52 procent van het totale aantal woorden. In andere bundels zal dit percentage ongetwijfeld veel lager uitvallen. Daaruit kunnen we één conclusie trekken: de liefde van Ilja Leonard Pfeijffer gaat door de maag.

 

6

Je maakte lange vingers van gedachten,

terwijl je cakedeeg door mijn haren deed

en suiker over domme zorgen smeet

om mij met mascarpone te verzachten.

 

Je kokkerelde mij weer voor elkaar

met huisgemaakte liefde. Als een prakje

dat opgewarmd best doorgaat voor gebakje,

bestreek je mij met room in elk gebaar.

 

Problemen kwamen toen we het menu

uiteindelijk dan toch ter sprake brachten.

Je wilde wat ik ooit misschien, niet nu.

 

Je spuugde dat je wel van mij verwachtte.

Toen formuleerde ik een paraplu.

Je vlocht mijn woorden tot een strik. Je lachte.